Veiligheid en controle
- Denise Oranje

- 6 dagen geleden
- 9 minuten om te lezen

Hoe veilig voel jij je eigenlijk? Gewoon nu. In het leven dat je vandaag leeft.
Voel jij je veilig genoeg om jezelf te zijn?
Om te zeggen wat je wilt zeggen.
Om je eigen keuzes te maken.
En om te doen wat je echt wilt doen.
Veiligheid en controle zijn geen emoties zoals boosheid of blijdschap. Toch hebben ze veel invloed op hoe jij je voelt.
Als je je vanbinnen veilig voelt, kunnen jouw emoties er gewoon zijn. Ze komen op en zakken weer weg.
Maar als die veiligheid ontbreekt, gebeurt er iets anders. Dan wil je grip. Dan wil je sturen. Je probeert controle te krijgen over je eigen reactie. Over de spanning in je lichaam. Over wat er in je gebeurt.
Soms probeer je emoties te vermijden.
Soms houd je ze vast.
En soms probeer je ze om te vormen tot iets wat beter te verdragen is.
Hoe onveiligheid kan ontstaan
Veel gevoelens van onveiligheid ontstaan al heel vroeg in ons leven. Zelfs voordat we konden denken of begrijpen wat er gebeurde.
Wanneer er in een gezin vaak ruzie en spanning is, voelt een baby dat. Zeker op momenten dat het huilt en de spanning toeneemt. Zeker als mama de baby voedt en zelf gespannen of boos is, kan dat heel verwarrend voelen. Er kan een gevoel ontstaan als: mama is niet blij met mij.
Dan kan een kindje zich wat terugtrekken. Minder aandacht trekken.
Huilen maakt de situatie onrustiger. Stil zijn houdt de situatie rustiger.
Maar omdat we allemaal anders zijn en de omstandighede ook, kan een andere baby juist meer gaan huilen. Als de spanning tussen de ouders oploopt, voelt dat voor een babytje onrustig. Het is helemaal afhankelijk van hen. Wanneer het tussen die twee niet goed voelt, kan dat als gevaar worden ervaren, zonder dat het kind begrijpt wat er gebeurt.
Wanneer de aandacht door het huilen naar het kind gaat, verandert er iets in de kamer. De ruzie stopt soms even of wordt zachter. De focus verschuift. Dat kan voor een babytje rustiger voelen dan de spanning tussen de ouders.
Dat gebeurt niet bewust. Het is een reactie van een zenuwstelsel dat veiligheid zoekt.
Dat is een vroege vorm van controle.
Maar onveiligheid kan ook later in de kindertijd ontstaan.
Denk aan een kind dat op het schoolplein hinkelt en netjes binnen de lijnen moet blijven. Raak je de lijn, dan ben je af. En af betekent: even niet meer meedoen. Meestal is dat gewoon een spelletje. Maar stel dat er diezelfde dag ook iets anders gebeurt. Iets wat Ʃcht spanning geeft. Of dat de andere kindjes heel afwijzend reageren?
Dan kan je brein die twee dingen aan elkaar koppelen. Binnen de lijnen voelt veilig. Buiten de lijnen voelt spannend. Zo kan iets kleins, wat op zichzelf onschuldig is, toch een extra lading krijgen. En die kan blijven hangen.
Later zie je dat soms terug in kleine gewoontes. Zoals liever niet op de voegen tussen stoeptegels stappen. Dat geeft houvast. Het gevoel dat jij iets in de hand hebt en dat je je daardoor veiliger voelt.
Gevoelens van onveiligheid komen vaak uit onze kindertijd. Maar als ze op volwassen leeftijd ineens sterker worden, bijvoorbeeld na een ongeluk of een ingrijpende gebeurtenis, hangt dat vaak samen met hoe iemand vroeger met spanning, onzekerheid of onvoorspelbaarheid heeft leren omgaan.
Hoe controle zich laat zien in het dagelijks leven
Controle ziet er meestal niet uit als iets groots.
Het zit in gewone dingen waar je zelf nauwelijks bij stilstaat.
In het gevoel dat je het liever zelf regelt.
Dat je alvast vooruitdenkt.
Dat je dingen niet aan het toeval wilt overlaten. Gewoon omdat dat rustiger voelt.
Loslaten kan dan lastig zijn.
Controle kan ook betekenen dat je je aanpast.
Dat je de sfeer rustig probeert te houden.
Dat je spanning laag houdt zodat het veilig blijft voelen.
Een bepaalde mate van controle is niet verkeerd. Het helpt je plannen, organiseren en verantwoordelijkheid nemen. Pas wanneer je je echt onveilig voelt als je het niet doet, of wanneer het je begint te beperken in wat je durft of doet, wordt het iets anders.
En vaak gaat dat zo automatisch, dat je niet eens merkt dat je het doet.
Controle is geen echte veiligheid
Veel mensen vinden vliegen spannend. In een vliegtuig heb je geen stuur in handen. Je zit vast in je stoel en moet erop vertrouwen dat de piloten weten wat ze doen. Je legt je leven letterlijk in handen van iemand anders. Dat vraagt overgave. En dat voelt kwetsbaar.
Er zijn mensen die zeggen: als het met een vliegtuig misgaat, dan gaat het ook echt mis. Er is geen tussenstap. Geen moment waarop je zelf nog iets kunt doen. Dat idee maakt het groot. Alles of niets.
In een auto voelt dat anders. Daar zit jij achter het stuur. Je handen aan het stuur, je ogen op de weg. Jij bepaalt wanneer je optrekt of remt, welke afslag je neemt. Dat geeft een gevoel van controle. En dat voelt veilig. Zelfs als het misgaat, kun je nog reageren. Je kunt remmen of uitwijken. Je kunt proberen de schade te beperken. Dat geeft het gevoel dat je invloed hebt, ook al kun je niet alles voorkomen.
En toch gebeurt er in datzelfde verkeer van alles waar je geen invloed op hebt. Andere bestuurders maken hun eigen keuzes. Iemand kan plotseling invoegen. Iemand kan afgeleid zijn. Het weer kan omslaan. Er spelen voortdurend dingen mee die buiten jouw bereik liggen. Waar jij geen invloed op hebt.
En er speelt nog iets anders.
Je hebt waarschijnlijk honderden autoritten gemaakt waarin niets gebeurde. Veilig heen. Veilig terug. Dat voelt normaal. Dat onthoud je bijna niet. Misschien heb je veel minder vaak gevlogen. Maar als er ergens een vliegtuig neerstort, zie je het op het nieuws. Het beeld is groot. Indrukwekkend. Het blijft hangen. Je aandacht kan zich dan vastzetten op dat ene extreme beeld. Terwijl al die veilige vluchten, net als al die veilige autoritten, nauwelijks aandacht krijgen.
En toch voelt de auto voor veel mensen veiliger dan het vliegtuig.
Blijkbaar voelt iets veiliger wanneer jij het idee hebt dat je stuurt, ook al heb je niet alles in de hand.
Wat gebeurt er in jou wanneer controle wegvalt?
Denk eens aan een moment waarop iets anders liep dan je had gepland. Een afspraak die ineens verandert. Iemand die anders reageert dan je verwachtte. Een situatie waarin jij niet kunt bijsturen.
Dan gebeurt er vaak iets vanbinnen, soms bijna ongemerkt. Misschien merk je dat je adem hoger gaat zitten. Dat je sneller gaat denken. Dat je alvast oplossingen zoekt terwijl er nog niets echt mis is. Je lichaam spant zich net iets meer aan. Soms schiet je direct in actie of neem je het over. Soms trek je je terug of probeer je de ander te overtuigen. Het gaat bijna vanzelf.
Dat voelt niet altijd als angst. Het kan voelen als irritatie. Of als haast. Of als het idee dat jij het beter even moet regelen.
Op dat moment probeert iets in jou grip te krijgen. En grip voelt als veiligheid.
Waar komt controle dan vandaan?
Ik noemde eerder de huilende baby en het kind dat binnen de lijnen bleef hinkelen. Dat zijn voorbeelden. En er zijn er veel meer. Soms klein. Soms groter. Zelfs als je terugkijkt op een fijne jeugd, zijn er momenten geweest waarop iets spannend, onverwacht of onvoorspelbaar voelde.
Op zulke momenten zoeken we houvast. Controle kan dan een manier worden om weer overzicht te krijgen. Om grip te voelen. Om de spanning binnen de perken te houden.
Dat gebeurt vaak vroeg. En wat je vroeg leert, neem je mee.
Ook als je volwassen wordt en je leven verandert, kun je merken dat je op dezelfde manier blijft reageren. Je komt jezelf steeds weer op datzelfde punt tegen. Misschien probeer je steeds bij te sturen. Blijf je alert. Steek je veel energie in het voorkomen van wat mis kan gaan.
En hoe harder je alles vast wilt houden, hoe vermoeiender het wordt. Omdat het leven zich niet volledig laat sturen.
Controle hielp ooit om je veilig te voelen. Later kan het juist onrust geven.
In het begin voelt controle helpend. Je regelt wat geregeld moet worden. Je denkt vooruit. Je houdt overzicht. Dat geeft rust.
Maar als je dat lange tijd blijft doen, blijf je steeds nƩt iets eerder denken dan nodig is. Je schat alvast in wat er mis kan gaan. Je wilt spanning voor zijn.
Dan blijft je lichaam op scherp staan. Het staat eigenlijk altijd aan.
Je merkt het misschien aan kleine dingen. Moeite met echt ontspannen. Het gevoel dat je altijd nog iets moet doen voordat je kunt rusten. Een onrust die lastig uit te leggen is.
Emoties krijgen dan minder ruimte om gewoon te komen en weer te gaan.
Verdriet pak je praktisch aan. Je gaat opruimen. Iets regelen. Of je zegt tegen jezelf dat het wel meevalt.
Boosheid leg je uit. Je vertelt jezelf dat de ander het vast niet zo bedoelde. Of je slikt het in omdat het anders ongemakkelijk wordt.
Angst zet je om in actie. Je maakt lijstjes. Je plant. Je zorgt dat alles dichtgetimmerd is.
Zo voelt het alsof je bezig bent. Alsof je grip hebt.
Ook dit is natuurlijk voor iedereen anders, het zijn maar voorbeelden en iedereen heeft daar zijn eigen manier voor om grip te krijgen.
En als jij degene bent die altijd regelt, vooruitdenkt en opvangt, kan er nog iets gebeuren. Misschien verwacht je, soms zonder het uit te spreken, dat anderen dat ook voor jou doen.
Dat zij zien wanneer jij moe bent.
Dat zij aanvoelen wanneer jij steun nodig hebt.
Dat zij jouw vangnet zijn zoals jij dat voor hen bent.
En als dat niet gebeurt, kan dat pijn doen. Of teleurstelling geven. Misschien irritatie.
Dan wordt controle niet alleen een manier om spanning te begrenzen, maar ook iets wat ongemerkt afstand kan creƫren.
Wat controle je langzaam kan afnemen
Wanneer controle lange tijd de leiding heeft, verandert er vaak iets zonder dat je het meteen doorhebt.
Je wordt zorgvuldiger. Misschien voorzichtiger. Je denkt net iets langer na voordat je ergens instapt. Je gaat minder makkelijk mee met wat er gebeurt. Alles gaat eerst langs een innerlijke check. Kan dit wel? Is dit verstandig? Wat kan er gebeuren?
Overgave wordt dan lastig. Overgave betekent dat je even stopt met alles zelf te willen sturen. Dat vraagt vertrouwen. En vertrouwen voelt kwetsbaar als je gewend bent zelf alles te overzien.
In relaties kan dat ook iets doen. Wanneer jij degene bent die vaak regelt, opvangt en vooruitdenkt, leun je minder snel op een ander. Hulp aannemen betekent dat iemand anders het op zijn of haar manier doet. En die manier heb je niet helemaal in de hand.
Mensen voelen dat. Ze merken wanneer hun hulp wordt bijgestuurd of gecorrigeerd. Soms trekken ze zich wat terug. Of ze laten het aan jou over, omdat jij het graag op jouw manier doet.
Zo kan er langzaam afstand ontstaan. Liefde en betrokkenheid kunnen er nog steeds zijn, maar het vertrouwen om echt te leunen wordt kleiner. En niet iedereen vindt het prettig wanneer er wordt bijgestuurd of gecontroleerd. De meeste mensen doen dingen liever op hun eigen manier.
Controle beschermt je. Dat blijft waar.
Maar het kan er ook voor zorgen dat je minder vrij beweegt, minder spontaan vertrouwt en minder makkelijk gedragen wordt.
En soms heb je dat zo even nodig: gedragen worden.
Veiligheid van binnenuit
Misschien lees je dit en denk je helemaal niet meteen aan vroeger. Misschien weet je ook niet precies waar jouw behoefte aan controle is begonnen. Dat hoeft ook niet.
Wat maakt dat je op bepaalde momenten zo snel gaat sturen? Wat maakt dat je alert wordt wanneer iets anders loopt dan verwacht?
Soms ken je het verhaal niet. Je voelt alleen dat het ergens vandaan komt.
En dat is genoeg om te beginnen.
Als je gaat zien dat controle ooit een manier was om met spanning om te gaan, verandert er iets. Je kijkt anders naar jezelf. Het wordt minder iets wat je moet fixen. Meer iets wat je ooit nodig had.
Dat inzicht is belangrijk. Niet alleen voor je hoofd, maar ook voor wat er vanbinnen reageert. Zolang je controle probeert weg te duwen, wordt het vaak sterker. Als je ziet dat het bescherming was, kan het zachter worden.
Dan merk je misschien dat je spanning voelt wanneer iets anders loopt dan gepland en dat je meteen wilt bijsturen. En misschien lukt het je om even te blijven bij wat je voelt, zonder het direct te veranderen.
Veiligheid van binnenuit groeit meestal rustig. Wanneer je merkt dat je wilt ingrijpen, maar toch even wacht. Wanneer je voelt dat iets ongemakkelijk is en het niet meteen hoeft op te lossen.
En juist daar begint iets te veranderen.
Veiligheid groeit wanneer je merkt dat je spanning kunt dragen zonder meteen te sturen.
Vertrouwen
Vertrouwen is vaak kleiner dan het klinkt. Het zit meestal in kleine momenten.
Wat zijn jouw voegen tussen de tegels? De momenten waarop je merkt dat je wilt sturen, vermijden of snel weer de controle wilt pakken?
Ga eens bewust op jouw voegen staan. Doe het expres wel. Met je hoofd weet je dat er niets misgaat omdat jij ervoor kiest. En toch kan je lichaam reageren.
Vertrouwen groeit juist in dit soort momenten. Wanneer je merkt dat er spanning is en dat er tegelijk niets instort. Zo ervaar je dat je het kunt dragen.
Op die manier merkt iets in jou dat die oude bescherming minder nodig is. Dat je de gevolgen van loslaten aankunt. Daar begint vaak verandering.
Wie dit thema verder wil verdiepen, kan veel herkennen in het boek Het drama van het begaafde kind van Alice Miller. Zij beschrijft hoe vroege aanpassing en verantwoordelijkheid later kunnen uitgroeien tot een vorm van controle die ooit veiligheid gaf, maar later spanning kan vasthouden.
Begrip en zachtheid
Misschien kijk je na dit alles iets anders naar je behoefte aan controle. Misschien met wat meer begrip. Of met wat meer zachtheid.
Veiligheid groeit niet doordat je alles perfect regelt, maar doordat je ziet wat er in je gebeurt wanneer iets onzeker wordt.
Van daaruit kun je merken wat er verandert wanneer je jezelf iets meer vertrouwt.
In de volgende blogs ga ik verder in op emoties zoals angst, boosheid, verdriet, schuld en schaamte. Onder al die gevoelens ligt vaak dezelfde vraag: voel ik me veilig?
Misschien begint verandering daar.
Herken je jezelf hierin? Of roept het juist iets anders bij je op?



Opmerkingen